Uit de pers |
|
Nederlands Dagblad, 2 mei 2008:
De zonde van het nalaten
Het Nationaal Oorlogs- en Verzetsmuseum in Overloon heeft een reizende expositie in huis over Duitse deserteurs en dienstweigeraars. De foto's en teksten aan het twintig meter lange strakgespannen doek vormen een infuus van dapperheid dat je niet wilt afkoppelen. In Minsk, Wit-Rusland, hing een touw aan de boom, met een lus en daarin het hoofd van een vrouw met krullend halflang haar. Geknakt, alsof het teleurgesteld was in het lichaam dat haar kinderen ontvangen had die nu zo hongerden. Was het om een gestolen brood dat Duitse militairen haar ophingen? Iets dergelijks beschrijft Lothar Pfeiffer. In zijn legerkamp waren een paar dingen gestolen door Russen die honger leden. Maar de uitrusting van een militair kent geen vakjes voor begrip. Zijn eenheid moest aantreden voor vergelding. Toen Pfeiffer de vrouwen met hun kinderen op de arm zag aankomen uit het dorp, weigerde hij te doden. ,,Toen heeft men mij uit de groep genomen...'', schrijft hij in een brief. Vijftienduizend Duitsers besloten in de aanloop naar de oorlog dienst te weigeren of deserteerden toen hun geweten de gruweldaden niet langer kon verdragen. Ze wisten dat ze zouden worden gefusilleerd. Hun verhalen en foto's zijn bijeengesprokkeld door tientallen medewerkers van het Anti-Oorlogsmuseum in Berlijn. Dat kleine museum, verbonden aan de Vredesbibliotheek van de Evangelisch-Lutherse Kerk in de stad, begon in 1989 een speurtocht naar de vergeten geschiedenis van mensen die ook in moeilijke omstandigheden 'nee' zeiden tegen oorlog en geweld. Hal voor legermaterieel De tentoonstelling past bij het museum in Overloon, al zou je dat op het eerste gezicht niet zeggen. Het Nationaal Oorlogs- en Verzetsmuseum legde jarenlang nadruk op documentatie: het verhaal van oorlog en verzet in beeld en vooral veel tekst. Ter afwisseling konden (en kunnen) bezoekers verhalen luisteren in een nagebouwde woonkamer met onderduikruimte achter de boekenkast, of werden (en worden) ze langs een originele sloep geleid waarin Engelandvaarders de Noordzee overstaken. Maar enkele jaren geleden werd het museum flink uitgebreid. In een enorme hal staat nu allerlei legermaterieel opgesteld; tanks, geschut, voertuigen en vliegtuigen luisteren met ijzeren kalmte naar het dofdonkere gedreun van beschietingen dat luidsprekers door de ruimte laten rollen. Alsof de granaten achter je voeten inslaan. Het trekt publiek dat zichzelf verliest in zulke legerspullen. Toch laat het museum die mensen niet zomaar ontsnappen. Elk gelijk heeft een achterkant, ook dat van de bevrijders. Over de Nederlandse bommenwerper die aan het einde van de oorlog meestreed gaan grootse verhalen, maar liet die niet ook bommen vallen op de moeders en kinderen van Duisburg en per ongeluk op de woonwijken van Venlo? De Amerikanen kregen in hun strijd te maken met voortuigen van Opel, toen al een dochter van het Amerikaanse General Motors. Dat zoeklicht, met een diameter van meer dan een meter, was dat er niet een van AEG, nu goed voor jarenlang wasplezier? En die zwarte Amerikaanse soldaten die in de Tweede Wereldoorlog moesten koken omdat ze in de voorste linies niet werden vertrouwd, zijn nu in Irak goed genoeg om met andere kanslozen als wegwerpmilitairen te dienen. Zo strijdt het museum in Overloon op zijn bescheiden wijze tegen gemakzuchtige oneliners en simpele oordeelsvorming. In de tentoonstelling over Duitse deserteurs gaat het niet om het romantisch ingekleurde beeld van de goede Duitser die er ook was te midden van alle slechte en die dat bewees met een vriendelijk gebaar of zelfs door met zijn hand over het hart te strijken in een penibele situatie. Nee, het gaat om mensen die meer heldenmoed toonden dan die miljoenen Nederlanders die zo goed en zo kwaad als het ging de oorlog doorrommelden. Theodor Haecker zegt het zo op de tentoonstellingswand: Er is meer moed voor nodig, om een afwijkende mening open uit te spreken, dan om flink door het vuur van machinegeweren heen te stormen. Rustig en voorbereid Een brief, gedateerd 9 oktober 1940. Lieve ouders, lieve zussen! Dit is de laatste brief, die ik jullie kan schrijven... Op 14 september werd ik door het Rijksoorlogsgerechtshof ter dood veroordeeld... Hedenavond heb ik de beschikking gekregen, dat het oordeel morgenvroeg zal worden uitgevoerd. - In deze brief zou ik jullie allen bijzonder willen bedanken voor alle liefde en zorg, die jullie om mij gedragen hebben, en ik vraag jullie om mij alles te vergeven waardoor ik jullie pijn en leed bezorgd heb. Ik heb de laatste tijd veel voor jullie gebeden, omdat ik de laatste weken steeds in eenzame opsluiting was... Wanneer jullie deze brief krijgen, zal ik dus niet meer in leven zijn. Ik ben rustig en voorbereid, omdat ik mijzelf immers al lange tijd op dit uur heb voorbereid... Jullie Jozef. Deze Jozef springt naar voren tussen de foto's en teksten die een verhaal vol tegenstellingen vertellen. Je ziet het brallerige Duitsland, met een foto van een vrouw in een wapenfabriek die 'bommen voor Engeland' lijkt te strelen, een menigte in Berlijn die Hitler bejubelt en de Gottesdiensten in het open veld tijdens de opmars naar het oosten. Maar daarbij horen de beelden van de stervende stokdunne mensen in de Joodse getto's en even later van de barre Russische winter. Je leest de trots in de brief van Dr. Max Jozef Metzger, 14 november 1943, die zoveel verachting voelt voor het onrechtvaardige volksgerechtshof dat het hem moed geeft om het doodvonnis te ondergaan. Nog een paar meter verder is het goed-foutstramien niet meer helder. Als een voddenlap ligt een Duitse militair erbij, in Oldenzaal, dat hem een stoep als een mensonwaardige knielbank heeft aangereikt, waarop zijn Duitse officier hem kon afknallen. 'Terechtstelling van een deserteur' meldt de tekst bij de foto droog. Wat zal er achter de gehaakte gordijntjes veel zijn gegluurd. Onderdrukking en bevrijding heet de tentoonstelling, een cliché, maar vul daarachter 'van geweten' in en je hebt veel om over na te denken. François de Beaulieu, die in 1943 op grond van de brieven aan zijn moeder wegens 'ondermijning van de gevechtskracht' tot gevangenisstraf en later dienst in een strafbataljon werd veroordeeld, helpt daarbij. De onverschilligheid en onverantwoordelijkheid van veel mensen zijn mede schuldig aan de onmenselijkheid. Wie heeft er geprotesteerd, toen het eerst om het hachje van de communisten ging, en toen om dat van de joden, en toen van de (politieke) partijen? Men dacht steeds, ik word er niet door getroffen... Het recht is niet deelbaar, en wanneer men niet geïnteresseerd toeziet, hoe sommigen wind zaaien, mag men zich niet verwonderen, wanneer dan eenmaal storm over allen komt. Op de een of andere manier is er een aan elkaar gekoppeld zijn van zonde. Niemand kan zeggen: Ik ben totaal onschuldig. De meeste zonden zijn zonden waarbij je iets nalaat... De jaren der onmenselijkheid waren immers alleen maar zo onmenselijk, omdat zovelen meegedaan hebben - en de kerken zijn ook schuldig... Men heeft het christendom zo goedkoop mogelijk verkocht, en uiteindelijk noemden allen zich christen, en in werkelijkheid waren ze alleen in naam christen...
Eindhovens Dagblad, 15 februari 2008:
|
|